Ipsos I&O-zetelpeiling: groei GroenLinks-PvdA door als ‘te rechts’ ervaren D66
Bekijk het rapport (PDF)
In de Ipsos I&O-zetelpeiling die liep van vrijdag 6 t/m maandag 9 maart laat GroenLinks-PvdA verdere groei zien (van 22 zetels in de peiling van 16 februari naar 25 zetels nu), waarmee de partij van Jesse Klaver, samen met D66 van premier Rob Jetten (nu 24 zetels, was 25), de virtueel grootste partij is.
De winst voor GL-PvdA komt vooral van D66 (12 procent van de D66-kiezers uit 2025 overweegt nu GL-PvdA). Deze kiezers geven bijna allemaal als reden dat ze teleurgesteld zijn in het ‘rechtse beleid’ van de nieuwe coalitie, waar D66 zich – in hun beleving – voegt naar de wensen van de VVD en men het ‘linkse geluid van D66’ mist.
Figuur 1. Zetelpeiling Ipsos I&O 9 maart 2026
Basis: heeft partij van eerste voorkeur (n=1.802)

Te weinig klaarspelende PVV verliest aan FvD en JA21
De PVV levert sinds oktober 2025 zeven zetels in en staat nu op 19 virtuele zetels. Van de kiezers die in oktober op de PVV stemden, zou 57 procent dat nu opnieuw doen, 14 procent zou nu kiezen voor Forum voor Democratie en 12 procent voor JA21. Daarna volgt de VVD met 3 procent. Hiermee zet de groei van JA21 (nu 14 zetels) en Forum voor Democratie (10 zetels) door.
De PVV-afhakers zijn tamelijk eensgezind in hun toelichtingen: ze staan nog steeds achter de plannen van de PVV, maar vinden dat de PVV ze niet heeft waargemaakt dan wel dat anderen de PVV dwarszaten bij het realiseren van de plannen. Met JA21 en FvD verwachten ze dat dat beter gaat. Wat over FvD regelmatig wordt gezegd (leider Lidewij de Vos overtuigt) zien we minder terug bij JA21.
De BBB komt op 1 virtuele zetel. Het laagste aantal in onze peilingen sinds maart 2021, toen de BBB (met 1 zetel) voor het eerst in de Tweede Kamer kwam.
Nog steeds weinig enthousiasme over minderheidskabinet
De coalitiepartijen leveren gezamenlijk iets in ten opzichte van de Tweede Kamerverkiezingen (van 66 naar 60 zetels): D66 24 zetels, min 2; VVD 21 zetels, min 1 en CDA 15 zetels, min 3. Alleen voor CDA betreft dit een significant verlies. Ook de PVV levert in, de partij van Geert Wilders komt op 19 zetels, 7 minder dan in oktober 2025.
Het enthousiasme over het fenomeen ‘minderheidskabinet’ is minimaal toegenomen: 15 procent onderschrijft de stelling “Het is goed dat er een minderheidskabinet is”, 43 procent is het daar niet mee eens, 28 procent oordeelt neutraal en 14 procent weet het niet. Eind 2025 leek 11 procent het goed als er een minderheidskabinet zou komen, dus enige groei is er wel. Kiezers van CDA, D66, VVD en GL-PvdA zijn er iets positiever over gaan oordelen. Kiezers van PVV, JA21 en FvD waren eind januari zeer sceptisch, zijn ook nu overwegend nog negatief, maar iets minder negatief dan 1,5 maand geleden.
Nog steeds denkt ruim de helft van de kiezers (54%) dat dit kabinet de rit niet gaat uitzitten. Met name D66- en CDA-kiezers zijn minder pessimistisch en dat zijn ze ook nog iets minder dan 1,5 maand geleden. Kiezers van FvD, JA21 en PVV zijn dat wel en niet minder dan eind januari.
Over de vraag of men een minderheidsregering democratischer of minder democratisch vindt dan een meerderheidsregering bestaat – net als begin februari – veel verdeeldheid: vier op de tien zien het als even democratisch, één op vijf als democratischer (18%) en een zelfde aandeel als minder democratisch (19%).
Weerstand verhoging AOW-leeftijd toegenomen
Al in januari, kort nadat de plannen van de coalitie bekend werden, bleek dat de meerderheid van de Nederlanders geen voorstander was van het verhogen van de AOW-leeftijd met de levensverwachting. Een kwart (25%) stond daar achter, ruim de helft (53%) was er tegen. Anderhalf maand later, nadat er verhitte debatten over deze kwestie plaatsvonden, is de weerstand gestegen van 53 naar 66 procent. Nog maar 19 procent is voor deze maatregel.
Figuur 2 “Vanaf 2033 gaat de AOW-leeftijd omhoog met de levensverwachting”

Kiezers van bijna alle partijen zijn nu vaker tegen. D66-kiezers zijn nog het vaakst voor: 42 procent (dit was 52%), 40 procent is tegen (was 29%), Alle andere kiezersgroepen zijn per saldo tegen de maatregel.
Slechts een kwart van de Nederlanders is overtuigd dat de voorgenomen verhoging van de AOW-leeftijd noodzakelijk is om onze verzorgingsstaat betaalbaar te houden. Deze verhoging wordt vooral onrechtvaardig gevonden voor mensen met zware beroepen (82% vindt dat), daarna voor jongeren (48%).
Vooral jongeren tot 24 jaar (52%), jongvolwassenen van 25-34 jaar (62%) en Nederlanders van 35-49 jaar (61%) vrezen dat ze door de voorgenomen verhoging van de AOW-leeftijd langer zullen moeten werken. Bijna de helft (48%) van alle Nederlanders vindt de maatregel dan ook onrechtvaardig voor jongeren, jongeren vinden dat nog iets vaker dan 35-plussers.
Bijna alle kiezersgroepen zijn het erover eens dat de verhoging van de AOW-leeftijd onrechtvaardig zou zijn voor mensen met zware beroepen, de GL-PvdA-achterban (van de grotere partijen) het meest (92%).
Dat de verhoging van de AOW-leeftijd noodzakelijk is om onze verzorgingsstaat betaalbaar te houden, wordt door 41-49 procent van de kiezers van D66, VVD en CDA gevonden. Vooral kiezers van rechtse partijen (FvD, PVV en JA21) vinden de voorgenomen verhoging onrechtvaardig voor jongeren.
Figuur 3 Eens of oneens met onderstaande stellingen (naar politieke partij eerste voorkeur)

Onderzoeksverantwoording
Dit onderzoek vond plaats van vrijdag 6 tot en met maandag 9 maart, 9 uur. Er was geen opdrachtgever, Ipsos I&O voerde dit onderzoek op eigen initiatief uit.
In totaal werkten 2.132 Nederlanders van 18 jaar of ouder mee aan dit onderzoek. De steekproef is grotendeels getrokken in het I&O Research Panel. Een deel (n = 221) deed mee via PanelClix. Dit zijn voornamelijk jongeren, lager opgeleiden en respondenten met een niet-westerse achtergrond.
De onderzoeksresultaten zijn gewogen op geslacht, leeftijd, regio, opleidingsniveau en stemgedrag bij de Tweede Kamerverkiezingen in oktober 2025. De weging is uitgevoerd conform de richtlijnen van de Gouden Standaard (CBS). Hiermee is de steekproef representatief voor de kiesgerechtigde Nederlandse inwoners (18+), voor wat betreft deze achtergrondkenmerken. Bij onderzoek is er sprake van een betrouwbaarheidsinterval en onnauwkeurigheidsmarges. In dit onderzoek gaan we uit van een betrouwbaarheid van 95 procent. Bij een steekproef van n=2.000 en een uitkomst van 50 procent is er sprake van een foutmarge van plus of min 2,2 procent.
Peter Kanne
Senior onderzoeksadviseur
Asher van der Schelde
Senior onderzoeker