Tien jaar VN-verdrag handicap: gelijkwaardige deelname nog niet vanzelfsprekend
Het VN-verdrag handicap is een mensenrechtenverdrag van de Verenigde Naties dat de rechten van mensen met een beperking beschermt en bevordert. Het verdrag richt zich op cruciale levensdomeinen zoals toegankelijk onderwijs, werk, openbaar vervoer, zorg, wonen en deelname aan het sociale leven.
Sinds 2016 geldt het VN-verdrag handicap in Nederland, met als doel gelijke rechten en volwaardige maatschappelijke deelname voor mensen met een beperking te waarborgen. Tien jaar later blijkt uit onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat veel mensen met een beperking zich zorgen maken over financiële zekerheid, toegankelijkheid en gelijke behandeling.
Krappe voldoende voor gelijke rechten mensen met beperking
Mensen met een beperking geven Nederland gemiddeld een 6,5 als het gaat om het waarborgen van gelijke rechten. Mensen die moeite hebben met rondkomen zijn aanzienlijk negatiever: zij geven gemiddeld een 5,5, 42 procent van deze groep beoordeelt Nederland met een onvoldoende. Over de ontwikkeling van de positie van mensen met een beperking in de afgelopen tien jaar zijn de meningen verdeeld: 21 procent ziet een verbetering, terwijl 20 procent juist vindt dat de situatie verslechterd is (Figuur 1). Nog eens een vijfde (22%) denkt dat het gelijk is gebleven en ruim een derde (37%) weet het niet.
Figuur 1: Voor- of achteruitgang afgelopen 10 jaar (n=1.864)

Zorgen over maatschappelijke deelname
Een belangrijk uitgangspunt van het VN-verdrag is dat mensen met een beperking volledig kunnen meedoen in de samenleving. Uit het onderzoek blijkt echter dat 52 procent van de mensen met een beperking zich zorgen maakt of mensen met een beperking in Nederland wel genoeg kunnen meedoen (Figuur 2). Onder jongeren tussen de 18 en 39 jaar ligt dit percentage nog hoger: 62 procent. De helft van de mensen met een beperking (51%) geeft aan (zeer) goed de mogelijkheid te hebben om te leven zoals ze willen. Toch zegt een tiende (9%) dat ze niet helemaal zelf kunnen bepalen hoe hun dagelijks leven eruitziet.
Figuur 2: Zorgen over participatie (n=1701)

Ongelijke behandeling een hardnekkig probleem
Ruim de helft (56%) van de mensen met een beperking geeft aan soms, vaak of altijd anders behandeld te worden nadat ze vertellen over hun beperking. Gelijke behandeling van mensen met een beperking is een belangrijke voorwaarde om volledig mee te kunnen doen in de samenleving. Discriminatie van mensen met een beperking is dan ook verboden. Eén op de zes (16%) geeft aan soms, zelden of nooit gelijk behandeld te worden. Vrouwen, praktisch opgeleiden en mensen met een niet-Europese migratieachtergrond voelen zich nog vaker ongelijk behandeld.
“Een zorgverlener negeerde mij volledig of sprak me aan alsof ik een driejarig kind was. Dat voelde enorm kleinerend.”
Financiële onzekerheid onder Nederlanders met een beperking
Afhankelijk zijn van sociale zekerheid en een onzekere arbeidspositie hebben grote impact op de bestaanszekerheid van mensen met een beperking. Ruim een derde (35%) maakt zich zorgen over het hebben van genoeg financiële middelen in de toekomst. Onder mensen met een niet-Europese migratieachtergrond maakt bijna de helft zich hier zorgen over. Van de mensen die aangeven moeilijk rond te kunnen komen, geeft 60 procent aan hulp van anderen nodig te hebben om rond te komen.
Onderwijs: nog onvoldoende aanpassingen voor leerlingen met een beperking
Volgens het VN-verdrag handicap betekent het recht op onderwijs dat de leerling en diens mogelijkheden om zich te ontwikkelen centraal zouden moeten staan. Het is daarbij belangrijk dat er goed gekeken wordt naar wat leerlingen met een beperking nodig hebben. Uit het onderzoek blijkt echter dat een kwart van de mensen met een beperking ervaart dat de school niet genoeg aanpassingen deed om de opleiding goed te kunnen volgen (Figuur 3).
Figuur 3: Aanpassingen tijdens opleiding (n=235)

Sociale deelname: helft doet minder dan ze willen
De helft van de mensen met een beperking geeft aan minder sociale dingen te kunnen doen dan ze willen. Gebrek aan energie is de voornaamste reden dat mensen niet meer sociale activiteiten kunnen ondernemen. Ook geven mensen aan dat zij ervaren dat veel activiteiten niet geschikt zijn voor hen (Figuur 4). Ruim de helft (54%) voelt zich soms tot altijd eenzaam.
Figuur 4: Belemmeringen bij sociale activiteiten (n=949)

Onderzoeksverantwoording
In totaal vulden 1.864 Nederlanders met een beperking (langdurige fysieke, psychische of zintuiglijke beperking) de digitale vragenlijst in. De vragenlijst is in april 2026 uitgezet in het I&O Research panel. De inhoud hiervan is samengesteld in samenwerking met de klankbordgroep van het College voor de Rechten van de Mens.
De resultaten van het onderzoek van Ipsos I&O zijn gewogen naar type beperking, leeftijd en geslacht, om deze zo representatief mogelijk te maken voor mensen met een beperking in Nederland. Om ook het perspectief van mensen met een (licht) verstandelijke beperking mee te nemen, zijn de resultaten waar mogelijk aangevuld met bestaande data van Nivel (panel Samen Leven).
Het College voor de Rechten van de Mens is de nationale toezichthouder op de uitvoering van het VN-verdrag handicap en monitort de mensenrechtensituatie van mensen met een beperking in Nederland. Alle resultaten van het onderzoek zijn hier te vinden.
Naïma van Huizen
Onderzoeker
Emma van der Heijden
Onderzoeker