Groeiende kritiek op aanvallen op Iran
Bekijk het rapport (PDF)
Op 28 februari hebben de Verenigde Staten en Israël Iran aangevallen. Iran reageert met raketaanvallen op doelen in de hele regio. Sinds 8 april geldt een wankel staakt-het-vuren. In het weekend van 10 tot 13 april onderzocht Ipsos I&O op eigen initiatief hoe Nederlanders kijken naar deze ontwikkelingen.
Groeiende wens voor kritischer opstelling Nederlandse regering
Vergeleken met begin maart is het aandeel kiezers dat een kritischer houding van de Nederlandse regering ten opzichte van de VS en Israël wil, gegroeid. In maart wilde 37 procent dat de regering zich kritischer opstelde, nu is dat 47 procent. Tien procent wil juist meer steun geven aan de VS en Israël, 20 procent vindt de reactie van Nederland goed (de rest heeft er geen mening over).
Deze wens tot meer kritiek wordt vooral gedeeld door kiezers van links‑progressieve partijen (GL‑PvdA/PRO, PvdD, SP), maar ook de helft van de kiezers van coalitiepartijen CDA en D66 is deze mening toegedaan.
Figuur 1: En als u denkt aan de reactie van de Nederlandse regering naar aanleiding van de Amerikaanse en Israëlische aanvallen in Iran, vindt u deze reactie dan goed, vindt u dat Nederland meer steun moet bieden aan de VS en Israël of moet Nederland juist kritischer moet zijn?
Basis: allen (n = 2.064).

Meer steun voor veroordeling en stopzetten aanvallen dan in maart
Ruim zes op de tien Nederlanders (61%) vinden dat de VS en Israël hun aanvallen op Iran moeten stopzetten; duidelijk meer dan in maart (42%). Ook wanneer expliciet wordt gemaakt dat het Iraanse regime waarschijnlijk aan de macht blijft als de aanvallen stoppen, is nog steeds de helft (49%) voor een stopzetting; in maart was dit 28 procent. De steun neemt dus wel af als de consequentie wordt benoemd, maar blijft nu hoger dan een maand eerder.
De roep om een diplomatiek en kritischere lijn van Nederland zelf is eveneens gegroeid. In april vindt 39 procent dat Nederland de Amerikaanse en Israëlische acties in Iran moet veroordelen (maart: 27%). Wanneer daaraan wordt toegevoegd dat dit slecht kan zijn voor de relatie binnen de NAVO, blijft de steun vrijwel gelijk (40%). Daartegenover staat een kleine minderheid (13%) die vindt dat Nederland steun moet uitspreken voor de Amerikaanse en Israëlische acties in Iran (maart: 21%).
Figuur 2: Stellingen over oorlog van VS en Israël tegen Iran
‘In hoeverre bent u het eens of oneens met de volgende stellingen?’ Getoond in figuur: alleen % (helemaal) eens. Basis: allen, stellingen in split-run voorgelegd.

Beperkte steun voor actieve militaire betrokkenheid Nederland
Ruim een derde van de Nederlanders steunt deelname aan een internationale, door Europa geleide coalitie die de veilige heropening van de Straat van Hormuz moet bewaken (37%). Een kwart steunt dit niet (24%), de rest staat er neutraal tegenover (23%) of weet het niet (16%). De steun hiervoor ligt het hoogst onder kiezers van JA21 (60%) en VVD (53%).
Voor directe militaire steun aan de VS en Israël in hun oorlog tegen Iran is de steun minimaal. Slechts 9 procent vindt dat Nederland de VS en Israël actief moet helpen bij deze oorlog.
Figuur 3: Stellingen over oorlog van VS en Israël tegen Iran, naar huidige politieke voorkeur
‘In hoeverre bent u het eens of oneens met de volgende stellingen?’ Basis: allen (n = 2.064). Getoond in figuur: alleen % (helemaal) eens.

Pessimisme over gevolgen oorlog en staakt‑het‑vuren
Nederlanders zijn overwegend somber over de uitkomsten van de oorlog. Zes op de tien vinden dat de oorlog van de VS en Israël tegen Iran “niets positiefs heeft opgeleverd” (62%). Een vergelijkbaar aandeel zegt dat het voor hen onduidelijk is wat het doel van president Trump is met deze oorlog (60%). Slechts een op de vijf (21%) denkt dat de kans dat Iran kernwapens gaat ontwikkelen door de oorlog is verkleind. Het vertrouwen dat de VS en Israël het Iraanse regime daadwerkelijk kunnen omverwerpen is eveneens laag (12%).
Het pessimisme ook zichtbaar in de verwachtingen rond het huidige staakt‑het‑vuren. Slechts 4 procent gelooft dat dit bestand zal leiden tot vrede in Iran en de directe regio; de meesten denken van niet (54%) of hebben er geen uitgesproken mening over.
Zorgen over economische en veiligheidsgevolgen
De zorgen over de bredere impact van de oorlog in het Midden‑Oosten zijn groot. Bijna driekwart (73%) is bang dat de oorlog escaleert tot een economische crisis. Drie op de tien (36%) vrezen dat de oorlog escalatie tot een wereldoorlog en/of betrokkenheid van Nederland bij de oorlog (38%).
‘Oorlog kent alleen maar verliezers’
De helft van de Nederlanders (50%) vindt dat geen van de betrokken landen (VS, Israël, Iran) tot nu toe sterker uit de oorlog is gekomen. Een kleiner deel noemt Iran (18%), gevolgd door Israël (12%) en de VS (9%). Bij kiezers van alle politieke partijen overheerst het gevoel dat “geen van allen” profiteert. Wel zien rechts‑conservatieve kiezers (PVV, JA21, FvD) de VS wat vaker als (voorlopige) winnaars; links‑progressieve kiezers noemen juist wat vaker Iran of Israël.
NAVO en bondgenoten: beperkt vertrouwen in VS als partner
De VS worden door circa een kwart van de Nederlanders als bondgenoot gezien; dit aandeel is sinds voorjaar 2025 stabiel gebleven. Daarmee staat de VS lager dan de Europese partners (Duitsland: 80%, Frankrijk: 76%), maar nog altijd duidelijk boven niet‑westerse landen.
Onderzoeksverantwoording
Het onderzoek vond plaats van vrijdag 10 april t/m maandag 13 april 2026 (tot 9:00 uur). Er was geen opdrachtgever, Ipsos I&O voerde dit onderzoek op eigen initiatief uit.
In totaal werkten 2.064 Nederlanders van 18 jaar of ouder mee aan dit onderzoek. De steekproef is grotendeels getrokken in het I&O Research Panel. Een deel (n = 199) deed mee via PanelClix. Dit zijn voornamelijk jongeren, lager opgeleiden en respondenten met een niet-westerse achtergrond.
De onderzoeksresultaten zijn gewogen op geslacht, leeftijd, regio, opleidingsniveau en stemgedrag bij de Tweede Kamerverkiezingen in oktober 2025. De weging is uitgevoerd conform de richtlijnen van de Gouden Standaard (CBS). Hiermee is de steekproef representatief voor de kiesgerechtigde Nederlandse inwoners (18+), voor wat betreft deze achtergrondkenmerken. Bij onderzoek is er sprake van een betrouwbaarheidsinterval en onnauwkeurigheidsmarges. In dit onderzoek gaan we uit van een betrouwbaarheid van 95 procent. Bij een steekproef van n=2.000 en een uitkomst van 50 procent is er sprake van een foutmarge van plus of min 2,2 procent.
Maartje van de Koppel
Onderzoeker
Peter Kanne
Senior onderzoeksadviseur