Acceptatie van lhbtiqa+ personen neemt toe, maar niet van elke letter
Bekijk het rapport (PDF)
Eind 2024 kwam de lhbtiqa+ monitor uit, een onderzoek naar de leefsituatie van en opvattingen over lhbtiqa+ personen in Nederland. Panteia en Movisie voerden dit samen met Ipsos I&O uit, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De monitor bouwt voort op eerdere edities die het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in voorgaande jaren uitvoerde. Ipsos I&O verzorgde de dataverzameling. Ook zijn cijfers uit de Veiligheidsmonitor (2023, uitgevoerd door Ipsos I&O) gebruikt voor de monitor. In juni 2025 publiceerde Ipsos het ‘LGBT+ Pride Report 2025’, een internationaal onderzoek in 26 landen naar de opvattingen over lhbt-personen (een kleinere groep dan lhbtiqa+). We blikken terug op belangrijke resultaten uit de Lhbtiqa+ monitor (2024), in combinatie met de resultaten uit het internationale Pride Report (2025).
Groep met positieve houding tegenover lhbtiqa+ groeit, maar Nederland staat niet bovenaan
In de resultaten van de (Nederlandse) lhbtiqa+ monitor 2024 zien we verschillen in de acceptatie van de afzonderlijke lhbtiqa+ groepen. Een relatief grote groep Nederlanders toont acceptatie en begrip richting homoseksuele en lesbische personen (86%), transgender personen (71%) en intersekse personen (72%). De acceptatie ligt lager bij bi+ personen (66%) en vooral non-binaire personen (53%). In het algemeen neemt het aandeel van de Nederlandse bevolking dat een positieve houding heeft ten opzichte van seksuele en genderdiversiteit toe (tussen de 53% en 86% heeft een positieve houding ten opzichte van de groepen). Het percentage met een negatieve houding ten opzichte van genderdiversiteit is echter ook licht toegenomen (tussen de 2% en 17% heeft een negatieve houding).
Figuur 1. Houding ten opzichte van lhbtiqa+ personen op basis van samenvattende schaalscores (Bron: Panteia/Movisie, vragenlijst lhbtiqa+ monitor 2024, bewerking Ipsos I&O).

Ongeveer de helft van de Nederlanders steunt lhbt-personen die open zijn over hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit (52%), of die in het openbaar affectie tonen, zoals zoenen of hand in hand lopen (45%). Dat blijkt uit het ‘Ipsos LGBT Pride report 2025’. Dit plaats Nederland qua acceptatie op de respectievelijke 13e en 10e plek, na landen zoals Spanje, Zweden, Ierland, Italië en Thailand.
Mentale gezondheid van lhbtiqa+ personen slechter dan van cis*-hetero personen
Lhbtiqa+ groepen ervaren in Nederland over het algemeen een lagere zelfwaardering, veerkracht en regie dan cis-heteroseksuele personen. Vooral trans, non-binaire en bi+ personen geven aan minder tevreden te zijn met hun leven, waaronder hun financiële situatie, werk en woonsituatie. Ten opzichte van de vorige monitor (2022) zijn de uitkomsten voor lesbische en homoseksuele personen iets verbeterd, terwijl bi+ personen een lichte daling laten zien.
Alle lhbtiqa+ groepen denken vaker dan cis-hetero’s na over hoe zij zich uiten in het openbaar, bijvoorbeeld op het gebied van genderexpressie of het tonen van affectie. Ook ervaren zij significant meer discriminatie, waaronder negatieve opmerkingen, stigmatisering en verbaal lastigvallen. Non-binaire, queer en trans personen melden dit het vaakst.
* Cisgender personen: mensen die zich identificeren met het geslacht dat hen bij de geboorte is toegewezen.
Veiligheid en ervaringen met geweld onder lhbtiqa+ personen
Uit de Veiligheidsmonitor 2023 en de lhbtiqa+-monitor 2024 blijkt dat de meeste groepen lhbtiqa+ personen in Nederland vaker onveiligheid en geweld ervaren dan cis-hetero’s. Vooral non-binaire, biseksuele en homoseksuele personen voelen zich vaker onveilig in hun buurt en rapporteren meer incidenten van bedreiging, mishandeling en seksuele delicten. Non-binaire personen springen eruit met 24% geweldservaring en 12% ervaring met seksuele delicten, fors hoger dan bij hetero personen. Ook melden lhbtiqa+ groepen meer online haat, ‘doxing’ en afwijzing door familie, vooral trans en non-binaire personen.
Discriminatie-ervaringen van lhbtiqa+ personen
Alle lhbtiqa+ groepen ervaren in Nederland vaker discriminatie dan cis-hetero personen (14% vs. 11%). Vooral non-binaire, queer en trans personen rapporteren veel discriminatie, vaak gebaseerd op seksuele oriëntatie, genderidentiteit of herkomst. Veelvoorkomende vormen zijn discriminerende opmerkingen, stigmatisering, ongelijke behandeling en naroepen. Discriminatie vindt vooral plaats op straat, online en op het werk, met daders variërend van onbekenden tot collega’s en buurtgenoten. Ook ervaren lhbtiqa+ personen discriminatie binnen hun eigen gemeenschap.
Uit de resultaten van LGBT+ Pride 2025 blijkt dat het merendeel (78%) van de Nederlanders van mening is dat homoseksuele, lesbische en biseksuele personen beschermd moeten worden tegen discriminatie bij werk, huisvesting en toegang tot bedrijven zoals restaurants en winkels. Daarmee staat Nederland op de 8e plek, na landen als Ierland, Zweden en Thailand. Een kleine meerderheid (55%) van de Nederlanders is het eens met het instellen van wetten die discriminatie tegen lhbt-personen verbieden op het gebied van werkgelegenheid, toegang tot onderwijs, huisvesting en sociale diensten, enzovoort. Daarmee staat Nederland op de 12e plek, na landen als Ierland, Zweden, Spanje, en Australië.
Onderzoeksverantwoording
Lhbtiqa+ Monitor 2024: De Lhbtiqa+ monitor 2024 is uitgevoerd door Panteia, Movisie en Ipsos I&O in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Het onderzoek bestond uit deskresearch, een kwantitatief onderdeel (vragenlijst) en focusgroepen. Voor het kwantitatieve onderzoek zijn in totaal 2.470 Nederlanders uit het I&O Research Panel bevraagd tussen 1 en 14 juli 2024.
Ipsos LGBT+ Pride Report 2025 (Global): Dit onderzoek werd uitgevoerd door Ipsos via het ‘Global Advisor online platform’ tussen vrijdag 25 april en vrijdag 9 mei 2025 in 26 landen, met 19.028 volwassen deelnemers. In westerse landen zoals Nederland en de VS zijn de steekproeven representatief voor de algemene bevolking tot 75 jaar. In andere landen weerspiegelen de resultaten vooral de meer stedelijke, welvarende en verbonden bevolkingsgroepen. De data zijn gewogen op basis van demografische gegevens.
Judith van Werkhooven
Onderzoeker
Roy van der Hoeve
Onderzoeksadviseur